STERK LOKAAL VERANKERD, MET DE BLIK OP DE WERELD

PRIORITEIT 2

Onze tweede prioriteit is om op het vlak van onderzoek nog meer tot de top te behoren. De UHasselt van 2030 zal sterk lokaal verankerd zijn, maar met de blik op de wereld. We zijn een universiteit in Limburg, en we koesteren dat, maar we zijn ambitieus en we willen van onze universiteit een belangrijke internationale/Europese speler maken. We willen vol inzetten op internationale, Europese en grote Belgische/Vlaamse onderzoeksprojecten, toppublicaties en impact.

 

We laten ons hierbij sturen door de grote maatschappelijke uitdagingen, zoals zeker de grand challenges waar we al enkele jaren op inzetten (een duurzame, gezonde en inclusieve maatschappij), maar ook bijvoorbeeld de digitalisering en kunstmatige intelligentie. Op die manier garanderen we ook dat onze studenten een excellente opleiding krijgen die hun voorbereidt op de uitdagingen van 2030 en verder.

 

Naast de doelstellingen en maatregelen in onze eerste prioriteit, waarvan er normaal meerdere zouden moeten bijdragen aan onze tweede prioriteit, denken we hiervoor bijkomend nog aan de volgende doelstellingen en maatregelen:

OP HET VLAK VAN ONDERZOEK

1. We blijven investeren in het aantrekken van onderzoeksmiddelen

 

We doen dat in de eerste plaats met het oog op het aantrekken van EU-financiering. Dat wordt belangrijker en belangrijker. Bijkomend zijn de parameters voor de berekening van de BOF- en IOF-sleutel gewijzigd. Het aantrekken van financiering uit de Europese kaderprogramma’s is een van de parameters geworden in beide sleutels. Ook de andere universiteiten hebben dat begrepen. De UGent besliste bijvoorbeeld in februari om 12 nieuwe medewerkers aan te werven om de EU-cel te versterken.

 

Wij zijn op dit ogenblik nog onvoldoende uitgerust om het onderzoek meer richting Europese kaderprogramma’s te ondersteunen. We moeten dat meer actief beginnen opvolgen, meer expertise opbouwen, zodat we ook een kwalitatievere ondersteuning kunnen bieden aan onze onderzoekers. We zorgen er daarom voor dat de Dienst Onderzoekscoördinatie zich voldoende kan focussen op de EU. Indien nodig, zorgen we voor versterking.

 

Op die manier volgen we ook veel meer de Europese beleidsontwikkelingen, zoals de Europese Green Deal, op de voet op. De EU is volop aan het werken aan visies over de universiteit van de toekomst. We moeten daar op proberen te wegen. Dat zal als kleine universiteit uiteraard niet gemakkelijk zijn, maar door onze sterkere aanwezigheid in universitaire consortia/netwerken (zie lager), is dat via die weg niet onmogelijk.

 

Ook voor het Vlaamse/Belgische niveau versterken we onze opvolging. We moeten ook daar meer kunnen wegen op het beleid. Van onze kant moeten we soms ons flexibeler aanpassen aan het Vlaamse/Belgische beleid. Een Vlaamse financieringsbron die bijvoorbeeld nu nog veel te weinig wordt aangeboord, zijn de VLAIO-middelen. Samen met de IOF-managers en TTO brengen we deze kanalen meer onder de aandacht en proberen we heel hands on onze onderzoekers te ondersteunen.

 

Voorts promoten en ondersteunen we bij onze onderzoekers gezamenlijke publicaties met internationale partners (deze dragen ook bij tot de parameters in de BOF- en IOF-sleutel).

 

We doen voor ons stimuleringsbeleid beroep op samenwerking, afspraken met andere universiteiten, kennisinstellingen, … om zo inspiratie op te doen of goede praktijken over te nemen. We stimuleren ook heel het ZAP/AAP/OP/BAP/ATP om deel te nemen aan interuniversitaire en internationale meetings, zodat we vooruit kijken en via die meetings banden opbouwen met collega’s.

 

En belangrijk bij dit alles: meten is weten. We volgen de parameters van ons onderzoek op de voet op. Dat is cruciaal als beleidsondersteuning. We moeten ook zien dat we ons goed kunnen benchmarken en dat we gemakkelijk data analyses kunnen uitvoeren wanneer nodig. Dat is ook cruciaal voor de internationale rankings, die op hun beurt weer leiden tot internationale visibiliteit.

 

2. We geven de idee van civic university een nieuw elan

 

Zoals gezegd, moeten we onze sterke lokale verankering koesteren. We hebben heel veel te danken aan Limburg. We hebben doorheen de jaren een bijzonder groot netwerk opgebouwd, waaruit diverse samenwerkingen zijn gegroeid. We plukken daar als instelling zowel onderzoeks- als onderwijsmatig de vruchten van.

 

Die lokale verankering is typisch voor civic universities. Om bij te dragen aan onze missie van toponderzoek willen we het streven naar civic university actief inzetten. Daarvoor moeten we volgens ons de idee van civic echter een nieuw, krachtig elan geven. We ‘voelen’ het nog onvoldoende. Het zit nog niet in onze genen. Daardoor dreigen we gedragenheid te missen, wat absoluut niet mag gebeuren.

 

We werken er daarom echt een visie met een stappenplan rond uit. We zorgen voor een academische beleidsverantwoordelijke als trekker. We organiseren onder meer een grote Staten-Generaal met alle belangrijke stakeholders in de regio, met de nodige opvolging. We zoeken naar partnerschappen specifiek met universiteiten die civic hoog in het vaandel dragen om hiervan te leren (bv. YUFE (Young Universities for the Future of Europe), Arqus (Arqus European University Alliance), CIVIS (A European Civic University)).

 

Zo zorgen we mee voor een sterkere regio.

 

3. We sluiten ons meer aan bij grote universitaire netwerken

 

Om verder mee vorm te geven aan onze internationale uitstraling en onze internationale onderzoekspartnerschappen te stimuleren, sluiten we ons meer aan bij verschillende grote universitaire netwerken.

 

We zijn nu al lid van onder meer:

  • EUA (European University Association)
  • EUF (European University Foundation)
  • UCI (University Consortium International)

We beoordelen de meerwaarde van deze netwerken en waar nodig activeren we onze deelname.

 

We bekijken verder de optie om ook aan te sluiten bij:

  • Arqus (Arqus European University Alliance)
  • CIVIS (A European Civic University)
  • ECIU (The European Consortium of Innovative Universities)
  • Yerun (Young European Research Universities Network)
  • YUFE (Young Universities for the Future of Europe)

 

We volgen ook actief het European Universities Initiative (EUI) van de Europese Unie op.

 

4. We denken na over de verhouding tussen de onderzoeksinstituten en –centra en de faculteiten

 

Onze onderzoeksinstituten (Biomedisch Onderzoeksinstituut (BIOMED), Centrum voor Milieukunde (CMK), Data Science Institute (DSI) en Instituut voor Materiaalonderzoek (IMO-IMOMEC)) en onze onderzoekscentra (Expertisecentrum voor Digitale Media (EDM), Limburg Clinical Research Center (LCRC) en Instituut voor Mobiliteit (IMOB)) zijn de uithangborden van ons onderzoek.

 

Daarnaast gebeurt er echter ook nog heel wat onderzoek binnen de faculteiten in niet-instituut of –centrumgebonden onderzoeksgroepen. Vaak is dat dan binnen kleinere groepen en in niches.

 

De vormgeving van de verhouding tussen de onderzoeksinstituten en –centra en de faculteiten is niet altijd evident. Op het vlak van bijvoorbeeld personeel vallen de instituten en centra steeds (voor zover bekend) onder een of meerdere vakgroepen van een of meerdere faculteiten. Hun eigen zeggenschap is dus beperkt. Dat leidt soms tot moeilijke situaties.

 

We hebben hier geen pasklaar antwoord op, maar we willen wel samen met de instituten/centra/faculteiten in overleg gaan en nadenken over hoe we de verhouding kunnen optimaliseren.

 

5. We beginnen met informele brainstormretraites

 

We hebben bijzonder veel expertise in huis. Daar spruiten ongetwijfeld regelmatig interessante ideeën uit voort. Een aantal daarvan zullen via de structurele instellingen en vergaderingen naar boven komen, maar we vrezen dat we er nu potentieel ook wel belangrijke missen. We willen die op een of andere manier beter capteren.

 

We denken daarvoor aan de opstart van informele brainstormretraites (we bespreken dat hier in de context van onderzoek, maar we denken daar ook aan voor onderwijs en voor onze centrale organisatie). Bijvoorbeeld een tweetal keren per jaar samen op afzondering om te brainstormen over onderzoeksbeleid met onder meer de leden van de Onderzoeksraad en bijvoorbeeld onze houders van grote projecten (bv. ERC-grants, Methusalem-financiering,…), onze FWO-panelleden, onze leden van de Jonge Academie,… Zo zouden we een goed beeld moeten krijgen van de ideeën die er leven rond onderzoeksbeleid.

 

We denken op kleinere schaal ook aan het organiseren van Foresight-oefeningen (bv. rond de grand challenges).

 

6. We voorzien in ‘academische zuurstofperiodes’

 

We zijn bezorgd over het welzijn van onze onderzoekers. We hebben eerder de enorme werkdruk aangekaart. Werkdruk is dodelijk voor de creativiteit, terwijl creativiteit noodzakelijk is voor innovatie. Nieuwe ideeën bedenken en uitproberen geeft ook veel positieve energie. We moeten onderzoekers kansen bieden om soms even uit de ratrace te stappen om te herbronnen.

 

We bieden op dit ogenblik reeds ondersteuning voor een sabbatical leave. De organisatie daarvan blijkt in de praktijk niet evident, mede omdat het uitwerken en aanvragen ervan een serieuze inspanning vergt. Het gevolg is dat dit in jaren amper gebruikt is (tweetal keren).

 

We willen dat daarom aanvullen met iets nieuws. We moeten het warm water niet altijd zelf uitvinden. Bij onze collega’s aan de KU Leuven bestaat er zoiets als een ‘academische zuurstofperiode’: een periode van enkele maanden waarin een ZAP-lid vrijgesteld wordt van onderwijsverplichtingen en interne taken en zich vol kan focussen op zijn/haar onderzoek. De universiteit dekt de kosten voor de vervanging van de onderwijsopdrachten.

OP HET VLAK VAN INTERNATIONALISERING

We hebben het al uitgebreid gehad over internationalisering bij de bespreking van onder meer ons communicatie- en marketingbeleid en hier net boven wanneer we het hadden over meer mikken op Europese financiering, meer aansluiten bij internationale/Europese universitaire netwerken,… Hierna focussen we op enkele bijkomende specifieke aspecten van internationalisering gerelateerd aan onderzoek.

 

1. We blijven sterk inzetten op VLIR-UOS

 

We hebben vanuit de UHasselt al heel wat projecten lopen in het kader van VLIR-UOS. Hier zijn hele mooie onderzoeksresultaten, doctoraten en langdurige partnerschappen uit voortgevloeid. Uit ervaring weten we dat het niet altijd evidente projecten/samenwerkingen zijn, gelet op onder meer cultuurverschillen, aanwezige infrastructuur, verwachtingspatronen,… maar het zijn wel bijzonder (leer)rijke ervaringen en vaak bloeit er iets moois uit.

 

Bijkomend hebben we als universiteit ook een taak naar de bredere maatschappij. Ontwikkelingssamenwerking hoort daarbij.

 

We blijven daarom sterk inzetten op VLIR-UOS.

 

Om ons engagement kracht bij te zetten zorgen we er ook voor dat initiatieven/projecten rond UOS en ruimer internationalisering een plaats krijgen in het academisch dossier van ZAP en bij hun evaluaties.

 

2. We bevestigen onze volle steun om het BOF te gebruiken als hefboom voor internationalisering

 

Binnen het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF) bestaan er diverse programma’s om internationalisering te stimuleren. We denken bijvoorbeeld aan de BILA’s (Bilaterale wetenschappelijke samenwerking), de gezamenlijke doctoraatsbeurzen met de UM, de mobiliteitsbeurzen. We bevestigen onze volle steun. Dit zijn belangrijke en succesvolle kanalen gebleken. De gezamenlijke doctoraatsbeurzen met de ULg en de UNamur kunnen we moeilijk onder internationalisering plaatsen, maar genieten onze zelfde waardering.

 

3. We verhogen onze internationale gerichtheid en internationale mobiliteit

 

Zoals eerder aangehaald, is er bij ons studenten en ons personeel een dubbele mismatch qua internationalisering. In de eerste plaats hebben we een vrij lage populatie internationale studenten (13%), maar wel een vrij hoge, procentueel steeds groeiende, populatie buitenlandse doctorandi (45%). Dat betekent dat we die doctorandi grotendeels extern moeten rekruteren. Dat houdt het risico in dat we de profielen minder goed kunnen inschatten. Daar moeten we iets aan doen. Dat is in de eerste plaats met meer internationaal gerichte opleidingen, zodat we een hogere instroom van internationale studenten krijgen. Dat komt in het algemeen ook onze internationale visibiliteit ten goede. Dit komt nog terug bij onze derde prioriteit rond onderwijs.

 

In de tweede plaats is er een mismatch tussen onze populatie buitenlandse doctorandi en onze vrij lage internationale professorenpopulatie (+/-90% heeft de Belgische nationaliteit). Ook hier moeten we zien dat we meer toekomstperspectieven bieden aan onze buitenlandse doctorandi. Anders dreigt onze aantrekkelijkheid als internationale werkgever af te nemen, waarop ook onze instroom dreigt af te nemen. We moeten hier zeer waakzaam over zijn en de nodige initiatieven nemen (zie hoger).

 

We blijven ook sterk inzetten op de internationale mobiliteit van onze onderzoekers en we blijven programma’s voor docentenmobiliteit als Erasmus+ (en de opvolging daarvan) en dergelijke aanmoedigen.

 

4. We versterken onze organisatie rond internationalisering en we voorzien in ‘International ambassadors’

 

Onderzoek en internationalisering zitten nu goed samen binnen de Directie Onderzoek en Internationalisering. Dat werkt en we behouden dat zo. We verwachten wel van de Dienst Internationalisering en Ontwikkelingssamenwerking (DIOS) dat zij een degelijk onthaalbeleid uitbouwt en expertise opbouwt over internationale mobiliteit, maar ook rond internationale onderzoeksprogramma’s. Op vlak van onthaalbeleid zijn er het voorbije jaar wel al serieuze stappen vooruit gezet.

 

Daarnaast willen we de academische uitstraling van het internationaliseringsbeleid (zowel Noord-Zuid als zeker ook Noord-Noord) versterken. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van de rector en/of de vicerectoren cruciaal is op koninklijke zendingen, jaarlijkse recepties van de gestelde lichamen, en andere events waarop rectoren en/of vicerectoren worden uitgenodigd. We moeten als universiteit zichtbaar zijn in het academische landschap, en zeker ook op events waarop bedrijven aanwezig zijn.

 

We willen echter een tand bij steken. Daarom duiden we naast de rector en de vicerectoren vanuit alfa, beta en gamma telkens een academische opdrachthouder internationalisering aan om de UHasselt mee te gaan promoten of vertegenwoordigen in binnen- en buitenland. Dat zijn onze ‘International ambassadors’.